Naar de inhoud

Informeren

Internationale samenwerking politie: centralisatie van de macht

De berichten van Nederlandse politiekorpsen waarin ze laten zien dat Spaanse of Poolse agenten in Nederland diensten meedraaien, lijken in eerste instantie vriendelijk en onschuldig. Ze presenteren het als internationale samenwerking, een uitwisseling van ervaringen en een manier om elkaar beter te leren kennen.

Door Roberto Coppens; bron Facebook

Maar wie begrijpt wat politiewerk historisch, juridisch en praktisch betekent, ziet onmiddellijk dat hier iets gaande is dat dieper gaat dan wat men naar buiten brengt. Dit gaat niet om leren. Dit gaat niet om vriendelijkheid. Dit gaat om een structurele verschuiving in handhaving en daarmee in macht.

artikel20251212 01
artikel20251212 02

Als je goed leest wat ze zelf schrijven, valt op dat buitenlandse agenten meewerken aan diensten, surveilleren, aanwezig zijn in de openbare orde, voertuigen controleren en individuen aanspreken op Nederlands grondgebied. Dat zijn geen oppervlakkige taken. Dat zijn de kernbevoegdheden van een nationaal korps. In het staatsrecht is politiewerk gebonden aan territorium. Een politiemacht opereert in beginsel uitsluitend binnen de eigen staat, want handhaving is een uitdrukking van soevereiniteit. Dat dit principe nu opzij wordt gezet, is geen detail maar een fundamentele verschuiving.

De politie benadrukt dat buitenlandse agenten niet zelfstandig optreden en dat er altijd een Nederlandse agent bij aanwezig is. Dat klopt. Het is de juridische constructie die dit mogelijk maakt. De Nederlandse agent is degene met de daadwerkelijke bevoegdheid, en de buitenlandse agent handelt formeel slechts in ondersteuning. Maar dit model is geen geruststelling. Het is de klassieke eerste fase van integratie. Precies zo worden bevoegdheden altijd verplaatst: eerst meekijken, dan meewerken in gezelschap, daarna meewerken onder verantwoordelijkheid en uiteindelijk zelfstandig opereren binnen een gedeeld kader. De aanwezigheid van een Nederlandse agent is de juridische bypass waarmee men een praktijk normaliseert die anders onmogelijk zou zijn.

Deze methode is niet nieuw. In de financiële sector, gezondheidssector, het digitale toezicht en het grensbewakingsdomein zie je exact hetzelfde verloop:

  • Europol begon ooit met liaison officers die alleen naast nationale politie stonden. Inmiddels heeft Europol directe toegang tot databanken en een eigen operationele rol. 
  • Frontex begon als ondersteuningsorganisatie en is nu een eigen grenskorps dat zelfstandig optreedt.
  • De ECB begon als overlegstructuur met nationale banken en bepaalt nu rechtstreeks monetair beleid. 

Overal is dezelfde lijn zichtbaar: samenwerken, harmoniseren, koppelen en daarna centraliseren. 

De politie bevindt zich nu in de fase waarbij de aanwezigheid van een Nederlandse agent de juridische legitimatie levert, maar waarbij de operationele praktijk al voorbij de nationale grenzen reikt.

De juridische basis voor deze verschuiving ligt in het Verdrag van Prüm en andere Europese afspraken. Die zijn in oorsprong bedoeld voor grensoverschrijdende criminaliteit, maar worden steeds ruimer toegepast. Waar het ooit draaide om uitzonderlijke situaties, wordt het nu routine. En precies daarom is het misleidend wanneer men naar buiten toe benadrukt dat de bevoegdheden zogenaamd bij de Nederlandse agent blijven liggen. In theorie klopt dat. In de praktijk verandert het niets aan het feit dat buitenlandse politiediensten optreden binnen Nederlandse handhaving. De bevoegdheid blijft Nederlands, maar de uitvoering wordt internationaal.

Daarnaast draait dit proces niet alleen om bevoegdheden. Het draait vooral om uniformering. Zodra politiemachten op elkaars grondgebied werken, nemen ze elkaars methodes, protocollen, rapportagesystemen en handhavingscultuur over. Dat creëert één gedeeld model, niet meer gebonden aan landsgrenzen. En zodra systemen uniform worden, kunnen ze gekoppeld worden. Wanneer ze eenmaal gekoppeld zijn, functioneren ze als één organisme. Dat organisme is niet nationaal, maar supranationaal. De labels op de uniformen verschillen nog, maar de structuur waarbinnen ze werken wordt dezelfde.

Het volk wordt ondertussen voorbereid zonder dat het zo genoemd wordt. Door dit soort berichten op sociale media te plaatsen, laat men stap voor stap zien dat buitenlandse agenten in Nederland actief zijn. Het volk went eraan. Wat eerst uitzonderlijk was, wordt normaal. En wanneer iets normaal is, kan het verder uitgebreid worden zonder dat wie dan ook nog een principiële vraag stelt over de legitimiteit of de gevolgen voor democratische controle.

Want dat is de kern: wanneer handhaving supranationaal wordt, maar democratische controle nationaal blijft, ontstaat er een systeem dat boven het volk komt te staan. Een systeem dat niet meer terug te draaien is, omdat het niet één besluit is, maar een verzameling van honderden kleine verschuivingen die samen één richting op gaan.

Dit is geen theorie. Dit is hoe macht door de geschiedenis heen altijd heeft gewerkt. Niet door grote aankondigingen, maar door onschuldig ogende stappen die het fundament langzaam verschuiven. De aanwezigheid van buitenlandse agenten in Nederland, ook al is het officieel altijd onder begeleiding, laat zien dat Nederland zich bevindt in de eerste fasen van een proces dat leidt tot een geïntegreerd handhavingsmodel dat niet langer primair nationaal is. Juist het feit dat ze niet zelfstandig optreden, bevestigt dat dit proces zich in de opbouwfase bevindt.

De vraag is niet of dit naar een supranationaal handhavingsmodel beweegt. De vraag is alleen hoe lang het duurt voordat deze constructie van “altijd onder Nederlandse verantwoordelijkheid” verandert van een verplichting in een formaliteit en uiteindelijk in een overbodigheid. De geschiedenis laat zien dat die laatste stap nooit wordt aangekondigd, maar gewoon ontstaat wanneer het systeem er rijp voor is.